Instituut voor Sociotherapie

Beroepsprofiel voor Sociotherapeuten

Theoretische invalshoeken voor de sociotherapie

Sociotherapeuten horen bekend te zijn met voor hun werk toepasbare theorieën. Het zijn deze theorieën die ten grondslag liggen aan het handelen van sociotherapeuten.
Theoretische uitgangspunten zijn nodig om per werksetting/doelgroep vorm te kunnen geven aan de hulpverlening.
In de praktijk kan dan blijken welke elementen van bepaalde theoretische opvattingen goed te gebruiken zijn en welke elementen zich voor een bepaalde doelgroep in een bepaalde context minder lenen.
Een aantal theoretische concepten zijn in dit verband van belang, te weten socialisatie, sociale systemen en sociale identiteit.

Socialisatie

Onder socialisatie verstaan we het proces van leren omgaan met jezelf en anderen.
Sociotherapeutisch werken in relatie tot socialisatie betekent dat dit leren omgaan met jezelf en anderen plaatsvindt door informatie over jezelf met anderen te (leren) delen.
Sociotherapie is als hulpverleningsmethode succesvol indien zij erin slaagt mensen met elkaar te laten communiceren én met elkaar te laten onderhandelen.
Communicatie is te definiëren als het hebben van contact en interactie.
Contact kan worden beschreven als de mate waarin mensen zich kunnen openstellen respectievelijk afsluiten voor communicatie.
Interactie kan worden beschreven als de mate waarin mensen zich aanpassen aan respectievelijk invloed uitoefenen op hun omgeving.

Zich open stellen, zich afsluiten, zich aanpassen en invloed uitoefenen zijn (sociale) vaardigheden die nodig zijn om in een bepaald leefverband te functioneren.
Socialisatie kan hier worden begrepen als het proces waarbij het kind, en later de volwassene, gebruik leert maken van alle bovengenoemde (sociale)vaardigheden.
De eerste zes levensjaren kunnen worden beschouwd als de periode van primaire socialisatie.
Het leren omgaan met zichzelf en anderen is voor het kind een proces waarbij het leert om wat het wil in overeenstemming te brengen met wat het kan en mag.
Wanneer wordt uitgegaan van een "normale" situatie kan worden waargenomen dat gedurende de eerste zes levensjaren de kring van mensen met wie het kind te maken heeft, gestaag groter wordt. De fysieke, cognitieve en affectieve mogelijkheden van het kind nemen steeds meer toe en het ontwikkelt zich met vallen en opstaan in de betrekkelijke veiligheid van het gezinsleven. Hierbij speelt het ondersteunen van het kind, dat zichtbaar wordt in zijn streven en kiezen van-uit-zichzelf (het conatieve) een belangrijke rol.
Door de toename van fysieke, cognitieve en affectieve mogelijkheden is het kind, ongeveer vanaf het zesde levensjaar, in staat om te profiteren van een grotere, meer ingewikkelde omgeving. Dit heet de secundaire socialisatie die voor een belangrijk deel buiten het gezin plaatsvindt.
Omgang met leeftijdsgenoten wordt dan steeds belangrijker voor de verdere ontwikkeling van het kind.

Sociotherapie richt zich op de ontwikkeling van sociale vaardigheden van (jong) volwassenen waarbij die ontwikkeling beschouwd wordt als een verbetering of een voortzetting van de secundaire socialisatie.
Sociotherapie richt zich hierbij op het herstel van contact en het vergroten van het handelingsrepertorie van de cliënt.
Dit is over het algemeen goed mogelijk wanneer de levensfase van de cliënten overeenkomt. Identificatie met leeftijdsgenoten die kampen met overeenkomstige problemen bevordert uitwisseling van informatie.
Dit houdt in dat de resultaten van sociotherapie als methode van hulpverlening, als begeleiding van een proces van voortgezette secundaire socialistie, worden bevorderd wanneer de opgenomen cliënten behoren tot één bepaalde leeftijdsfase.

Index Terug naar index van dit artikel
Kopieer deze tekst

Inhoudsopgave | Contact | Voorpagina | Top
Deze bladzijde is het laatst gewijzigd op 2 januari 2005
Productie: PurpleUnlimited ©